Collection

Vrachtlijst

6 pages

Vrachtlijst page 1
Page 1
Vrachtlijst page 2
Page 2
Vrachtlijst page 3
Page 3
Vrachtlijst page 4
Page 4
Vrachtlijst page 5
Page 5
Vrachtlijst page 6
Page 6
Read as text
Vrachtlijst Container 1 is gevuld met diepvriezers die nog moeten aanslaan, ongehoord gezoem. Vergelijk dit met een boom op een onbewoond eiland die omwaait, en er niets in de buurt is om het te horen, en de boom nog geen boom is maar een kiem of het geheel aan braakliggende grond, of dat het eiland nog niet als sediment is afgezet. Het is belangrijk om een ziel aan de objecten toe te kennen, niet slechts functionaliteit. Zeg niet: statisch getypeerde lcd-schermen. Zeg: in januari is de zee een bevend wezen, de zee laat zich niet vangen in wiskundige modellen, in vloeistofdynamica. Zo ook niet metalen kleerhangers, door visdieven vervormd tot nesten, het tikken van snavels en het in de verzadigde lucht vangen van plukjes dons. Container 4 is nog niet geı̈dentificeerd, ligt op de zeebodem en deint mee met de stroming, peinst teveel. Vraagt zich af waar het wad ophoudt en de zee begint, is jaloers op die onduidelijke afbakening, die uitgesmeerde vaagheid. Zijn buitenkant beslaat steevast een lengte van twintig voet, en daaruit dan een schokkerige ademhaling halffabricaten. Dacht dat er een strand was, waar men rookt en dan de sigaret begraaft. Container 27 vindt het een fijn gevoel om het servies tegen zijn binnenwanden kapot te smijten, de scherven op te breken in nog kleinere elementen. Gruis malen tot poeder dat men kan inademen, dat met de wind als fijnstof door de steden gaat, krassend over vensters, dat laag vliegt over het strand en de voetsporen van een nieuwjaarsduik uitwist. De stormvogels zien elastieken aan voor wormen, een plastic onderhuid. De meeuwen krijsen en maken zich groot tegen de wind. Meeuwen kiezen hun lot ook niet. Zij hebben een beperkte woordenschat en iedere lantaarnpaal is glibberig. Container 65 loopt over met de wens te blijven, kijkt je poeslief aan met haar groenblauwe ogen, het degusteren van zeeschuim, zoute mond en bijten aan geopende wonden. Benzoylperoxide is slecht oplosbaar in water maar stopt effectief puistjes, weekt de bovenste huidlaag los. Op het wad ligt het water verstopt, zuigt het aan de hielen, aan de minikrabben en lepelaars. Het lijkt er altijd net geregend te hebben, maar de lucht liegt nooit. Bij het geluid van de regen telt enkel het vallen van druppels in plassen, niet de slechte vermomming van het tikken op verpakkingen, stoelen. Van ver lijkt het aangespoelde op kleurige schubben, op een speels beest of een naar adem happende vis. Container 127 stagneert in zijn artistieke ontwikkeling, is bang om een ogenschijnlijk nieuwe melodie te componeren en er dan achter te komen dat deze reeds bestaat. Zo ook versteent hij bij de gedachte namaakschoenen te vervoeren. Sneakers die drijven in het water, die langzaam vollopen, een scheepswrak vol geoxideerde koperplaten. In het water zweeft een bijna-auto, het idee daarvan, gemaakt van aluminium vellen, een boormachine met uitstekende batterijduur, O-ringen, vogelveren die het geheel lichter maken dan luchtbellen, lattenbodems van de IKEA en miljarden schaaltjes van kalk. Container 156 lag vol gelukskoekjes met daarin accurate toekomstvoorspellingen. Ieder bemanningslid mocht slechts één keer binnengaan en geblinddoekt graaien in een met koekjes gevulde vissenkom. Aan de wanden hingen QR-codes voor het downloaden van zingeving. De bemanning is bang de nacht niet door te komen, de golven vormen slechts kleine modulaties maar desondanks modulaties van iets oncontroleerbaar, opslokkerig, een houder van water, oervissen en een onontkoombare zeelucht die in de dekens kruipt, in de kelen, overstromende neusholten. De schepelingen gorgelen met zout water. Het is koud en de zee is zo stroperig als stromend glas. Het Boeronees zeewijf overleefde vier dagen en zeven uur in een tobbe, toen ontsnapte ze. Haar ogen als van mensen maar zonder leven, ze zei geen woord. Container 188 heeft zijn deur verloren, het opgestuwde zand klampt zich aan de opening vast, dringt naar binnen, steekt zijn vingers in de wijd openstaande mond. Binnen ingewikkelde performance art met wilde muziek en beeldende kunst, geprepareerde violen maar er is geen publiek. De strandgaper filtert het plankton uit de bodem, overal kokers van met slijm aan elkaar verkleefde zandkorrels. Overal kleine bolletjes kunststof; een nieuw materiaal voor het strand. Alles moet waterdicht met polyamide eilandjes in een doorzichtige wand. Het liefst de Noordzee daarachter met een smaakje, als snoepgoed dat knettert in de mond. Container 208 valt over een paar uur pas in het water, is in cellofaan verpakt. Geı̈soleerd tegen de beukende wind en het opspringende water dat zelfs over de boeg, zelfs tot de bovenste transporteenheid reikt. Er zijn flessen wijn gesneuveld, een marmerkat (aan boord geslopen in Sumatra) jaagt op ratten benedendeks. Op de Panasonic tv een nagesynchroniseerde kungfu film waarvan de bewegingen niet gelijk lopen met het geluid, net zoals het wiegen van het schip niet gelijk loopt. Metershoge golven en WOOSH versterken elkaar. Op het wantij is er nauwelijks stroming. De kortste route is die tussen eiland en vasteland. Maar daar is de grond zacht en loopt het slib over het dek heen. Container 222 heeft al zijn inhoud verloren. De kunststof drijft tot aan een gezichtslijn met submariene vulkanen en kussenlava. Verse aarde, de oceaan ligt schuddebuikend en breekt met haar gewelfde lichaam het plastic af. Ze voedt deze in kleine brokjes terug via een omweg van haring, schol, schelvis, oester, schar aan de propere mens, die met haar sonar wel gelijkheidstekens plaatst, maar slechts de randen ziet, een onafhankelijke glimlach waarachter pilaren van zout schuilgaan. Container 256 is vanbinnen gedecoreerd met kerstlichtjes, die onder de lakens van het bed reiken, die alles voorzien van een warme gloed. Er hangt een poster van een zebraveulen voorzien van de elegantste benen en een moeder met strepen die elkaar snijden. Iedere zebra heeft een unieke streepjescode. Op de stoel trilt een fascinerende machine, nog steeds, die de bodem doet trillen, en zo trekt aan de ragfijne wortels van het duingras enkele kilometers verderop, dat meewiegt, ja, maar slechts heel lichtjes en zo enkel als achtergrondruis dient bij het ontcijferen, het terugscheppen van de wind. Container 293 is gevuld met eclipsbrillen. In vijf talen staat er op het kartonnen montuur mocht er een aanval op de zon plaatsvinden, bid dan intens en maak lawaai. De monturen zijn na een paar dagen al pulp, maar de plastic glazen bewegen mee met de stroming en filteren het zonlicht. Uiteindelijk blijven de glazen steken in het zand als flinterdunne schaduwstenen. Zij zijn dan nog steeds te gebruiken. Container 316 wil graag het volgende op papier vastleggen: een periode is de grootte van het kleinste tijdsinterval waarop een functie zich herhaalt; een eigenperiode van een systeem is de periode van een trilling ontstaan als het systeem vanuit een evenwichtspositie wordt losgelaten; wanneer een systeem door een periodieke kracht op een eigenperiode wordt aangestoten, kan resonantie optreden; bij resonantie kan de trilling van het systeem veel sterker zijn dan men op grond van de aanstoting verwacht. De eigenperiode van het containerschip is ongeveer vijftien seconden. De golfperiode in de Noordzee bij een noordwesterstorm is ongeveer vijftien seconden. De trilling is een functie. Het containerschip is een systeem. Golven vormen een periodieke kracht. Container 329 duikt met achterwaartse afsprong de zee in, een messenkou. In zijn binnenste ligt besloten een kalkstenen grot met zulke akoestiek dat de galmende woorden van het schip daar door blijven echoën: Er bestaat niets. Mocht er iets zijn, dan is dat een onzekere waarneming. Het hoofd is geen schuilplaats. De in de grot bevangen lucht moet de druk van het water erboven weerstaan. In deze perslucht schuilt in realtime opgeslagen GPS gegevens, brugcommunicatie, diepgang van het schip. Voor wie in de buurt komt van deze luchtbel; er lost meer stikstofgas op in de weefsels, gasbelletjes in de bloedvaten, jeuk als van duizenden insecten en het verlies van bewustzijn. Container 342 ligt vol met afdrukken van een pamflet over het ding an sich: Tuinmeubilair, fleecedekens, lithium-ion batterijen, witgoed; allen zijn gekleurd door het kenvermogen, door de vermeende causaliteit die volgt uit het verlies, of het niet goed vastsjorren, de ondiepe vaargeul bij storm. Wat er werkelijk toe doet is hoe deze objecten op zichzelf staan, reeds ontgraven uit zand, ontdaan van zeegeur en lang groen haar, waarbij de dingen (niet afgezet tegen een natuurwereld, een wereld waar zij niet thuishoren, maar geplaatst in het gebleekte wit van een reclamefolder) hun ware aard vertonen, zonder dat daarbij de vragen worden gesteld hoe komt dat daar wat voor nut heeft dat zulke vragen verstommen.